Fluisterverhaal

Omdat ik het zelf heel mooi vind, wil ik jullie elke week een stukje laten meegenieten van het fluisterverhaal van Dimitri Leue, Zoo By Night. Geniet ervan!

Fluiterscène 1: Welkom
Vrouw: Welkom. Sorry, dat ik fluister, maar ik heb geen keus. De helft van de wereld slaapt. Ze dromen. De denkrimpels worden gladgestreken. De stress vloeit weg. Ik wil dat je droomt zonder te slapen. Hier bij mij. Mijn nest is opgeruimd, ik heb mezelf schoongelikt voor jou. Maar als jij toch nog een vlekje vindt, aarzel niet. We zijn er om elkaar te helpen.

Man: Ik ben blij dat je er bent. Ik zou je beide ouders willen bedanken voor die ene avond waarop de besloten om zelf God te spelen. Ze keken elkaar diep in de ogen waar de wereld op zijn kop staat en vonden daar een wonder. Het toeval van één op één miljard viel jouw moeder in de schoot. En negen maanden later werd duidelijk dat regels er zijn, om ze te doorbreken.
 
 Vrouw: Welkom in mijn zachtheid. Welkom in min dons van kleine woorden. Jouw oren kunnen mijn zinnen broeden tot grote gevoelens. Wees buiten zinnen. Laat het ondenkbare toe. En voel. Zet je haartjes recht en voel. Adem. Open niet alleen je longen maar ook je kieuwen in je nek. Als je voelt en ademt zoals ik je vraag, dan weet je hoe welkom je hier bent.
Man: Ik ben zo blij dat jij hier bent. Ik zou het van de daken willen fluisteren. omdat niemand kan begrijpen dat mijn oren zich in alle richtingen hebben gedraaid op zoek naar jouw stem. Ik heb aan mijn vingers gesnuffeld tot iedere geur die mij aan jou deed denken, verdwenen was. Niemand kent het brullen van mijn hart. Niemand heeft weet van het krijsen van mijn onderbuik. En toch ziet iedereen dat wij hier nu samen horen. Ik ben zo blij dat jij hier bent.
Fluisterscène 2: Donker
Vrouw: Wees niet bang. Het is alleen maar donker voor wie het licht niet ziet. Ik weet dat ons samen zijn een stap ik het duister is, maar wie wil leren vliegen, moet durven vallen. Dus val maar. In mijn armen. Op de grond. Ik val ook voor jou.
Man: Als dit jouw donkere kant is, prijs ik mezelf gelukkig. Ik voel meer dan vlinders in je buik. Kleine, goudgele, groenrode kwetterende vogeltjes. Verliefd zijn is een gevoel dat alleen maar kan overtroffen worden door te voelen hoe de ander ook verliefd is op jou. 
 Vrouw: Je durft luid te fluiten, je hebt geen angst om wind te vangen. Vrij schud je melodieën uit je mouw. Je doet maar. Imposant rek je je rug en tapdanst als een fazant. Je brengt me steentjes, visjes, takjes, bloemen. Je weeft droomhuizen met woorden. Ik mijn ooghoeken zie ik anderen wat hakkelen en spartelen. Op de achtergrond hoor ik hun ééntonige melodieën. Maar jij. Jij valt op. En ik, ik val op jou.

Man: Wees niet bang om zonder grenzen jezelf te verliezen. Als je jezelf kwijt bent, kan je altijd bij mij terecht. Ik bewaar je in alle kamers van mijn hart. Ik heb je gekloond. Niet omdat ik aan één niet genoeg had. Nee, juist omdat ik je wil delen met de wereld. Dus geef je maar. Aan het donker. Aan mij. Via de vlucht van ons samenzijn kom je toch op je beide voetjes terecht. Daar zorg ik wel voor.

Fluisterscène 3: Nestdrang
Vrouw: Een olifant ruikt water al van ver, zo wist ik ook al lang dat jij je dorst wou laven aan mij. Je lichaam sprak met rechtopstaande veren en gezwollen krop. Een buidelbek vol slippertjes van de tong. Je ogen nestelden zich op mij. Ze voelden zich thuis op mijn vel. Je lippen kregen vleugels en toch vloog je niet weg. Ook jij rook mijn water al van ver, zo wist je dat ik honger had naar meer.

Man: Ik wil met jou een plek. Een g-plek van gezelligheid, geluk en genot. Een plak waar wij kunnen samen zijn zoals niemand anders dat kan. Zo hoeft niet zo groot te zijn. Een flamingo heeft aan één poot genoeg als basis. Ik gooi maar een visje op, aan jou om toe te happen. Je breekt me de bek open, ik kan niet meer zwijgen: ik wil met jou een plek, om te vertrekken en weer thuis te komen. Ons nest, thuis best. Dus spreek, kras, kraai, maak me duidelijk waar ik sta. Dan leg ik me neer bij jou en jouw beslissing.

 Vrouw: Hier wil ik zijn. Hier wil ik blijven. Dichter bij elkaar dan de veren van een zwaan. ‘Waterdicht, goed geïsoleerd, aerodynamisch. Als u de ene neemt, krijgt u de andere erbij.’ Een verkoper hoeft voor onze relatie zijn best niet te doen. We zijn toch al verkocht. Niet alleen aan elkaar, ook aan onze plek. Als ik tegen de stroom in zou moeten zwemmen, om hier te geraken. Ik zou het doen. Als ik ergens anders ben, jeuken mijn kuiten om bij jou te zijn.

Man: Ik wil in je mond verdwijnen. helemaal. Eerst alleen het tipje van mijn toch die zich uittrekt als de blauwe , lange tong van de okapi, dan geleidelijk aan ook mijn lippen die ik vooruitsteek zoals alleen chimpansees dat kunnen. Mijn wangen, mijn kin, mijn neus, … mijn hele hoofd verdwijnt in je mond. Ik maak me klein en voel hoe alleen mijn benen nog uitsteken. Een sprinkhaan in een leguanenbek. Een baars in een pelikanensnavel. En wanneer ik dan helemaal in je mond verdwenen ben, leg ik me op mijn rug op je tong en kijk ik naar je gehemelte. Je tanden flikkeren als sterren. Ik val in slaap en droom over je mond, in je mond, door je mond.

Fluisterscène 4: Spoorzoeken
Man: Je sist om stilte en knonkelt je rond mij. Je schudt je uit je vel en toont je nieuwe ik. Eén en al kwetsbaarheid. We tasten voorzichtig af of de ander toch geen roofdier is. Wolf in schapenvacht. Leeuw in zebravel. Uil in muizenpels. Pelikaan in vissenschubben. Gelukkig blijkt alles acht te zijn. ‘De kameel is jaloers op zo’n stevige bulten,’ zou ik heel platsvloers kunnen zeggen. Maar de waarheid is dat de bizon ook wel zo’n zachte huis zou willen hebben als jij.

Vrouw: Jij bent geen hyena. ij lacht nier naar de maan. Jij bent geen weerwolf. Je huilt niet naar de maan. Jij ben een weerspin of een weeroctopus. Jij lat de maan dansen. Hoe jij mij ’s nachts met acht poten, tentakels ,armen betast. Miljoenpoten die mijn ruggengraat op en neer marcheren. Jouw koningspinguïn die mij koude rollingen bezorgt. Ik ontdooi. Ik warmbloed vanbinnen. De maan danst met al de zeeën van de wereld. Mijn méditerrané zegt niet nee, en wiegt mee.

Man: Hallucineer ik jou? Of ben je echt? Strooit jouw schoonheid me zand in de ogen? In de woestijn van mijn zijn, zijn ndze ontmoetingen een karavaan. Ieder gesprek een oase. Idere kus een waterput. Ik moet schuilen voor de storm van geluk die jij in mij doet oplaaien. Als jij écht bent en geen duidend en éénste, nachtelijke fantasie, wat ben ji dan? Ik zoe je als zoveel. Dromedarisje. Skinkje. Zeepaardje. Katvis. Jij bent. Dus ik ben. Wij zijn. Dus het is.

Vrouw: Jouw lippen zwijgen, maar je natuur spreekt. Met honderd tongen, duizend snavels, lippen, bekken. Nagels glijden over mijn huid. Tanden zoeken mijn nek. Mijn rug strekt zich, hoofd achter en ik hoor mezelf brullen. Ik wist niet dat ik dat kon. Een tijger heeft zijn strepen verdiend en jij krijgt mij ook niet voor niets. Je zal je hoorns moeten gebruiken. Je randen en je klauwen. Niet om tegen een ander te vechten, want je weet dat ik alleen maar jou wil. Maar om het te halen van de sleur van de was en de plas, de routine van snel, snel en druk, druk. Vroeger waren we jagers. Nu zijn we allemaal opgejaagd.

Fluisterscèene 5: Koninklijke balts
 Vrouw: Wendbaar als een murene, schattig als een clownvis, elektrisch geladen als een sidderaal. Fluorescerend als een neontetravisje, zwem je on de vloeistoffen van mijn lichaam. Hap je naar adem via mijn mond. Borrelen jouw belletjes naar boven door mijn lijf. Als een zeester zuig jij je vast op mijn netvlies. En is alleen maar jij. Zelfs als ik denk dat ik op de bodem van mezelf iets anders heb gevonden, kom jij te voorschijn als een rog.

Man: Pirañas bijten als ze bloed ruiken. Jij laat je tandafdrukken achter in mijn nek, op mijn schouders, op mijn armen, in de lucht. Ik ruik naar jou. Jij ruikt naar mij. Op het gras liggen we te spartelen, vinnig rollen we duizenden sprieten plat.

Vrouw: Onbezonnen, in het maanlicht, in de nachtlucht, laten wij geen gras groeien over onze natuur.

Man: Gebiologeerd onderga ik jouw chemie.

Vrouw: Een mannelijke olifant is een stier. Een mannelijk varken een beer. Jij, mannelijker dan ooit, bent een hengst. Je manen wapperen heen en weer. Ik zou het Saturnus wel een willen zien doen.

Man: De planeet met de 23 manen is te koud voor de mens om te overleven, zegt de wetenschap. Laat ons een halfuurtje loos op Saturnus en ze is warmer dan de zon.

Vrouw: Een koudbloedige baadt in de zon, zoekt energie en warmte in haar stralen. Ik voel hoe ik zelf opleef in jouw aanwezigheid, moeheid overwin, glimlach en twinkel. Een slang vervelt als ze groeit. Ik schrok niet toen ik vanmorgen mijn oude vel naast het bed terugvond. Dankzij jou groei ik elke nacht. Met je glimwormpjes in je ogen en je buffel in je borst. Ik wou dat ik een staart had zoals een slingeraap om hem lief en zacht rond jou te slaan en dan uren lang te dien alsof ik je ontvlooi, terwijl ik eigenlijk al de haartjes tel die ik zo graag zie. De piekjes van geluk.

Man: In het park van mijn leven, ben jij zowel het onbetreden pad als het allerkleinste blad. De grote middenweg en de zijtak van de zijtak van de zijtak. Jij bent de bloesem, de bolsters, het slijk op de grond. Jij maakt de ganzen wijs dat ze het Noorden kwijt zijn. Jij vermoordt een paddenstoel zonder sporen. Jij hakt mijn eenzaamheid om en je stroopt mijn angsten. Ik het park van mijn leven, ben jij open. Dag en nacht.

Fluisterscène 6: Sprekende natuur
Man: Als de zon de maan gebruikt om jou te belichten, komt mijn aap uit zijn mouw. Is het wel een compliment om tegen je geliefde ’s nachts te zeggen datr hij of zij er goed uitziet? Het maanlicht legt een wit masker op je gelaat, waardoor alles wat jou jou maakt en niet iemand anders, alle oneffenheden, alle putjes, alle bultjes verdwijnen. Wij zijn op ons mooist on de schemering. Ook de oneerlijke verdeling van de schoonheid wordt opgeheven. Ik, met al mijn gebreken, mag plots naast jou, met al je idealen, staan. De naakte aap die ik nu ben, slingert zijn armen rond jou. Ik heb de vogel niet in de hand. Beter nog: ik tel tot toen in de lucht. We landen samen van de hak op de tak. Te moe op ‘pap’ te zeggen, fluister je ‘wouw’. Ik antwoord ademloos: ‘Ik ook van jou’.

Vrouw: Hoor je hoe de natuur spreekt? Het ruisen van de bladeren omdat ons samenzijn de lucht en de bomen opwindt. De wolken donderen wat in de verte, ze imiteren ons met één enkele bliksem als gevolg. De sterren vallen met honderd tegelijk omdat ze allemaal willen zien hoe wij vuur maken. Rivieren treden uit hun oevers, net als ik door jou. Sinds ik het weet, zie ik het overal. De aarde draait niet zomaar om haar as, ze probeert over haar schouders ons geluk te zien.

Man: Als dieren uitsterven omdat ze lekker zijn of een prachtige pels hebben, dan ga jij eraan, mijn liefje. Maar als dieren uitsterven door het inslaan van een hemellichaam, dan ben ik ten dode opgeschreven. Want hier ben jij, sneller dan het licht raak jij mij. Seismologisch wonder. Op mijn schaal richt jij je pijlen, mijn roosje. Ik tril, en tril en tril. Je maakt me driftiger dan een continent, je maakt me vuriger dan een vulkaan. En ik ontplof. Ik laveer bergafwaarts door het leven opzoek naar jou. Dom van mij. Want jij bent natuurlijk boven mij. Zo eindig ik als een dinosaurus of een mammoet. Door iets dat door de dampkring flitste. Een meteoriet, een astroïde of een amoriet. De impact vand e liefde. De Big Bang ba, mijn hormonen. En wat volgt, is de evolutietheorie in praktijk.

Vrouw: De natuur spreekt, liefje. En ze zegt eigenlijk maar één ding. Leef! Fluistert ze met al haar stemmen, uit al haar kelen, uit al haar longen. Leef! Doe het zelf. Doe het bewust. Leef! Hou van het leven! Hou van alle leven! Hou zoveel van het leven dat je leven geeft! En ik heb geluisterd. Jij ook, liefje. Wij hebben geluisterd. Want de natuur spreekt nu ook in mijnbuik.

 

 

 

 

 

 

 

Laat een reactie achter

Jouw reactie: